Scheepstype

De Halve Maen is een jacht. De naam ‘jacht’ voor een scheepstype is terug te leiden naar de schepen die in de zestiende eeuw werden ingezet om op piratenschepen te jagen. Het waren niet al te grote, snelle en heel goed manoeuvreerbare schepen. In het begin van de zeventiende eeuw wordt voor dit scheepstype ook vaak de naam pinas gebruikt.

Verkenningschip
Jachten waren alleskunners. Ze werden door de VOC ingezet in de Inter-Aziatische handel, maar ze voeren ook vaak in konvooi met de veel grotere retourschepen. De jachten beschermden de grote koopvaarders, werden vooruit gestuurd om het land te verkennen, dieptes te peilen en geschikte havens te vinden. Tevens deden ze dienst als ijlbodes. Bekende jachten zijn de Duyfken, dat in 1606 Australië voor de Europeanen ontdekte en de Hoorn, bekend van de ontdekkingsreis van Willem Schouten en Jacob Lemaire in 1615/1616.

Twee dekken
Een jacht of pinas heeft een platte spiegel en onderscheidt zich alleen door zijn geringere afmetingen van een gewoon vol getuigd schip. Het heeft een vrij hoge boeg en twee dekken. Het onderste van de twee (de overloop) loopt ononderbroken over de hele lengte. Het bovenste dek (verdek) is verdeeld in een iets verlaagde bak met een verhoogd bakdek. Daarna komt een gedeelte van het verdek dat doorloopt tot aan het schot van de stuurplecht, waarachter het verdek weer iets lager is. De hoge verschansing van het open dek verbergt alle scherpe contouren, zodat het een zeer evenwichtig scheepje is.

Drie masten
Ongeacht hun grootte hebben de schepen van dit type drie masten: de fokkemast, waartegen de boegspriet op het bakdek leunt; aan de boegspriet zit een blinde ra met blinde en bovenblinde; de grote mast, waarvóór zich het grootluik bevindt en de bezaansmast met daarachter de kolderstok, die door dek en halfdek loopt.